Een rechtvaardige vader

Een rechtvaardige vader

Dominee Daan Overduin was niet mis. Al was hij een godvrezende man, hij was wat aan de driftige kant. Op zekere dag kwamen twee van zijn zonen daar gevoelig achter. Al enkele keren had vader ze gewaarschuwd, maar de vervelende knapen wisten niet van ophouden. Voor de laatste keer klonk het dreigend in hun richting: 'Houden jullie nu eens op?' Het bleef zonder resultaat. Driftig stapte vader op het tweetal toe, greep ze stevig vast, sleurde ze mee, opende de kelderdeur en ... smeet ze het trapje af. Met een smak sloeg de deur dicht en de jongens ploften in de kelder neer. Wat schrokken ze! Dominee Overduin bleef bij de deur staan. Hoor! De jongens praatten tegen elkaar: 'We hebben een harde, strenge vader', sprak de ene. Even bleef het stil. Vader luisterde ... Toen zei de andere knaap: 'Wij hebben een rechtvaardige vader, want wij hebben het verdiend.' Toen moest de dominee eraan denken hoe hij dit ook eens eerlijk had gezegd. In tranen had hij het uitgeroepen: 'Heere, al ziet U nooit meer naar mij om, zo heb ik niets te zeggen. Ik heb rechtvaardig alle tijdelijke en eeuwige straffen verdiend. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.' Maar toen was ook dat grote, onuitsprekelijke wonder gebeurd: uit genade kreeg hij vergeving van alle zonden, en mocht hij zingen: "Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven." Daaraan moest de dominee denken, toen zijn ene zoon zei: 'Wij hebben een rechtvaardige vader; wij hebben deze straf verdiend.' Toen vulden tranen de ogen van vader en terwijl hij de kelderdeur opende, zei hij: 'Kom jij er maar uit.' De jongen die de straf goedkeurde, mocht de kelder uit; maar de andere moest de straf uitzitten, steeds mopperend: 'Wat een strenge vader ... De tijd gaat voorbij, zeggen we. We vergissen ons: De tijd blijft, maar wij zijn het die voorbijgaan.
273