Het kleed van de gerechtigheid aandoen

Het kleed van de gerechtigheid aandoen

In ‘Het ABC des geloofs’ (Alexander Comrie) wordt het geloof onder andere beschreven als een aandoen van de gerechtigheid van Christus en als een amen -zeggen op wat God zegt in Zijn Woord. In het onderstaande gedeelte wordt dieper ingegaan op de inhoud van deze woorden. Het geloof is het aandoen van de gerechtigheid van Christus: Paulus spreekt in Efeze 4 van het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens. Met het afleggen van de oude mens wil hij zeggen, dat iedereen zich van nature bedekt heeft met een kleed waar hij trots op is. Ieder mens verstaat van nature de kunst om kleren te maken, om zich zo voor God te bedekken. Mensen kunnen verschillende soorten kleren aantrekken: een grof kleed van zonde en ongerechtigheid, een fijner kleed van burgerlijkheid of een kleed van eigengerechtigheid. Maar God trekt mensen hun zelfgemaakte kleren uit en stelt ze naakt voor Hem. Wat ontstaat er dan een schaamte! Hoe moet de ziel zich dan verbergen? Christus’ verdienste wordt met een kleed vergeleken. Dit kleed is bedoeld om de schande van onze naaktheid voor God te bedekken. Enkele eigenschappen van het kleed van de gerechtigheid van Christus: - - Het is een kleed van God, een uitvinding van de Vader. - - Het is een kleed, dat door Christus Zelf met veel moeite is gesponnen, geweven en gemaakt. Het heeft erg veel gekost, voordat het in alle opzichten was voltooid en volbracht. - - Het is een veelvervig kleed. Niet alleen wit, maar ook rood, zoals Hij Zelf ook blank en rood wordt genoemd (Hoogl. 5:10). - - Het is een nieuw kleed, zodat Zijn voldoening vers en nieuw is. - - Het is een kleed, dat lang en breed genoeg is om de ziel te bedekken, ook als het personen betreft met zonden zo groot als die van Manasse of Maria Magdalena en anderen! - - Het is een kleed, dat onverslijtbaar is. Zoals van de Joden in de woestijn de kleren niet verouderden, zo is het ook met het kleed van Jezus’ gerechtigheid. Het is altijd even nieuw, even sterk, even afdoende om de ziel te bedekken. - - Het is een kleed, dat nodig is voor rijken en armen. - - Een ieder die dit kleed niet heeft, is naakt, ook al is hij met fluweel omhangen. Maar ook wie echt naakt is, is bedekt als hij dit kleed heeft. - - Het is een kleed, dat wonderbaar van pas is voor groten en voor kleinen, voor jongeren en voor ouderen. Het past iedereen, het is voor niemand te klein of te groot. - - Het is tenslotte een kleed, dat iedereen vrij mag aandoen. Elke zondaar wordt aangeraden witte kleren te kopen op de markt van vrije genade, waar geen geld nodig is, maar waar alles gratis wordt verstrekt (Opb. 3:18). Als u door het geloof dit kleed mag aandoen, wil dat zeggen dat u de gerechtigheid van Christus omhelst en u zo laat bedekken door Jezus, als het lichaam wordt bedekt door kleding. U kunt hierbij denken aan de oosterlingen, die kleding dragen die tot op de voeten neerhangt. Zo volledig wil Jezus uw ziel alles geven. Als u dit kleed ontvangen hebt, gaat u uzelf schamen dat u dit kleed zo lang hebt veracht en naakt of in oude kleren verder hebt geleefd. Bijna iedereen wiens ogen geopend worden, schaamt zich diep dat hij zolang bewust zonder Jezus heeft geleefd. Zij die dit mooie kleed van de Borggerechtigheid hebben mogen aandoen, zullen alles in het werk stellen om dat kleed rein en zuiver te houden. Hun zielen zijn dan zelfs bevreesd voor de schijn des kwaads, in de wetenschap dat ze heilig moeten zijn zoals Hij Die hen geroepen heeft, heilig is. Dat leidt tot waken over het hart, mijden van elke gelegenheid tot zonde, bevreesd zijn voor de zonde die hen zo gemakkelijk omringt en ze zullen steeds tot hun dierbare Borg roepen: ‘Heilige Jezus, heilig mij, ik moet heilig zijn als Gij.’ Het geloof is ook: ‘Amen – zeggen’: Het geloof wordt ook wel genoemd: het eens(willend) worden met God. Eén van de kenmerken van het geloof is het eens worden met God, met andere woorden: het beamen, het amen - zeggen op wat God zegt in Zijn Woord. God zegt in Zijn Woord: ‘U bent een zondaar, een overtreder van Mijn allerheiligste majesteit. Uw dagelijkse bezigheden en uw werk zijn voor Mij alleen maar aanleiding om Mijn toorn tegen u als een vurige oven te ontsteken. Uw hele leven is een bundeling van ongerechtigheid.’ De zondaar zegt: ‘Amen. Het is waar, o God! Ik zie in dat alles wat ik me inbeeld over de deugdzaamheid en burgerlijkheid van mijn leven één en al bedrog is geweest. Ik ben één van de allergrootste zondaren. Het grootste wonder is, dat U mij draagt en spaart.’ God zegt in Zijn Woord: ‘Arme zondaar, uw weg is niet alleen zondig, maar bovenal is uw hart boos, arglistig en bedrieglijk. Het is in het gunstigste geval alleen vijandschap tegen God.’ De zondaar zegt: ‘Het is zo, Heere! Ik heb lang gedacht dat mijn voornemens goed waren, maar nu zie ik, dat het onmogelijk zal zijn om iets goeds te doen als dit stenen hart niet door Uw Goddelijke en onweerstaanbare genade wordt weggenomen. Een onreine fontein kan niets anders dan stank en vuil water voortbrengen.’ Dan zegt God tot de ziel: ‘Ellendige zondaar, niet alleen dat alles is uw toestand en staat, maar daarboven bent u dood in zonden en in misdaden en ten enenmale machteloos om uzelf uit deze staat te helpen of enige schuld te betalen.’ De ziel antwoordt: ‘Het is zo, dat noch engelen noch mensen in staat zijn doden levend te maken. Al zou de hemel door één goede begeerte kunnen worden verkregen, dan zou zelfs dat voor mij net zo onmogelijk zijn als voor een moorman is zijn huid te veranderen of een luipaard zijn vlekken.’ Hoe word ik dan zalig? God vraagt de ziel die in haar onmacht, schuld en diepe onwaardigheid ligt: ‘Ziel, wilt u zalig worden? Ik heb u gehoord, terwijl u zichzelf en uw staat beklaagde. Ik heb uw tranen gezien, uw kermen en roepen uit de diepte gehoord. Wilt u nu door Mijn Zoon zalig worden, zonder enige van uw verdiensten, uit louter genade en soevereine ontferming? Daarop zegt de ziel: ‘Amen, o God! Het is om de behoudenis van mijn ziel, dat ik roep en kerm tot U om als brandhout uit het vuur gerukt te worden en mijn ziel als een buit uit te halen. Aangaande al mijn gerechtigheden, ik acht die slechts schade en drek om in Christus te worden gevonden (Fil. 3:8). Uit genade moet ik zalig worden! Mijn ziel aanbidt en omhelst die weg. Ik zie, o God, al Uw deugden daarin op het allerheerlijkste uitblinken en ik zie dat deze weg de enige juiste is en Gode betamelijk en gepast voor mijn ziel. Als ik duizenden zielen zou hebben, zou ik die alle op de meest volstrekte en meest onbepaalde wijze aan U overgeven, o Heere God!’ Uit: ‘Het ABC des geloofs’ (Alexander Comrie)
241