Plaatsvervangend zondebelijden

Plaatsvervangend zondebelijden

Waarom? ·Opdracht van God: In Deut.21:1-9 wordt opgedragen een schuldoffer te brengen als de moordenaar niet bekend is. ·Door vergoten onschuldig bloed, rust een vloek op het land: 2 Sam.21:1-33: omdat Saul Gibeonieten vermoord had, rustte een vloek op het land. ·Ex.20:3-5, God bezoekt de misdaad der vaderen aan de kinderen (het eerste gebod met een vervloeking) ·2 Kron.33:16: Manasse brengt dankoffers en lofoffers, maar geen schuldoffers. Omdat Manasse Jeruzalem met bloed had vervuld, voerde de Heere Juda in ballingschap (2 Kon.24:3-4), ook al was Manasse tot geloof gekomen en ook al was dat 44 jaar na de dood van Manasse (2 jaar Amon + 31 jaar Josia + 3 maanden Joahaz + 11 jaar Jojakim). God bezocht de misdaad in het derde geslacht. Tussen mensen onderling ·Filemon:18-19 Paulus belijdt de zonde van Onesimus tegenover Filemon ·1 Sam.25:23-28: Abigaïl belijdt de zonde van Nabal voor David en voorkomt daardoor een bloedbad Plaatsvervangend zondelijden tegenover God (zeven voorbeelden) ·Ex.32:31-32 Mozes belijdt de zonde van het volk Israël en God spaart het volk. ·Jes.63:15 – 64:1 en 64:9 Jesaja belijdt de zonde van het volk en God geeft een opwekking door Hizkia, zowel bij Hizkia alsook bij het volk (zie 2 Kron.30:25-26 en 31:1) ·2 Kron.30:17-20 Hizkia bidt om verzoening voor het volk en God geeft bovendien ook genezing aan het volk! ·Daniel 9:5 Daniël belijdt de zonde van het volk en hij mag zelf mee terugkeren met het volk naar Jeruzalem (zie Dan.1:21 en Ezra 1:1-3) ·Neh.1:4-7 Nehemia bidt om vergeving en God geeft een opwekking (Neh.8:2-7 en Ezra 9 en 10) ·Hand.7:60 Stefanus bidt: “Heere reken hun deze zonde niet toe” en Saulus komt tot bekering en is tot grote zegen voor Gods Koninkrijk en een voorbeeld van Gods barnhartigheid ·Luk.23:34 De Heere Jezus bidt: “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” en even later verheerlijkt de hoofdman God (zie Luc.23:47) Zeven gebeden met bijzonder grote verhoringen! Ik ben ervan overtuigd, dat als wij een opwekking in ons land willen meemaken, dat wij tot God moeten bidden om verzoening over al het onschuldige bloed van de ongeboren kinderen, dat vergoten is, en om verzoening over al de zonden, waarmee ons land verontreinigd is.
272