De Filosoof en de Matroos

De Filosoof en de Matroos

Op een schip dat een lange zeereis maken moest bevond zich een filosoof als passagier. Deze man had een groot denkbeeld van eigen wijsheid, en zag met minachting op degenen neer, die niet zoveel gestudeerd hadden als hij en naar hij meende dus veel dommer waren dan hij. Hij raakte op een gegeven moment in gesprek met een matroos en wilde weten wat deze van de wetenschap geleerd had. Dat onderzoek viel hem niet erg mee te vallen, want hij antwoordde hooghartig: “Ik zie, vriendje, dat je bijna niets waard bent in de maatschappij want je schijnt weinig gestudeerd te hebben.”. De matroos antwoordde: “Ik weet zeker dat ik goed zwemmen kan en dat komt in mijn vak heel goed van pas”. De filosoof lachte erom en draaide de matroos de rug toe. Een aantal dagen ging voorbij en plotseling ontstond er een grote storm. Het schip werd hemelhoog geslingerd en ging de ondergang tegemoet. Het liep zo vol met water, dat zelfs toen de storm bedaard was en men het land al in de verte kon zien, het niet meer boven water te houden was.. De filosoof die zo bleek als een doek radeloos op het dek rondliep kwam op de matroos af en zei tot hem: “Ach, mijn vriend, ik zie dat het schip aan het zinken is en binnen een uur ten onder zal gaan, zodat wij de dood in de golven zullen vinden: wat kunnen wij daartegen doen, want ik heb gehoord dat de reddingsboten al vol zitten”! De matroos keek hem aan en zei: “Nu komt wat ik geleerd heb goed van pas; ik zal naar het land proberen te zwemmen, maar hoe graag ik u ook zou willen redden, ik zie geen kans u zo ver mee te slepen. Arme man nu helpt al uw geleerde wetenschap u niet”. En zo was het ook. De matroos wierp zich in zee, en bereikte met al zijn krachtsinspanning al zwemmende de oever, terwijl de filosoof verdronk. Dit verhaal bevat een kern van waarheid die ook op het Christelijke leven toegepast kan worden. De filosoof, namelijk de aanbidder en beoefenaar van de valse wijsbegeerte, dus iemand die buiten de vreze van God en de geopenbaarde Waarheid omgaat, blikt verachtelijk op de Christen, die in de eenvoudigheid van het hart van de Schrift gelooft, die hem wijs kunnen maken tot de zaligheid. Zo’n valse wijsbegeerte moet niets van het Christendom hebben: Het is hen een ergernis en een dwaasheid, maar hen die geloven een kracht Gods. Wanneer echter het uur van de dood slaat, moet de zodanige filosoof stil worden; zijn geleerdheid laat hem in de steek, of verleidt hem in het beste geval tot een sprong in de duisternis, waardoor hij ellendig omkomt, terwijl de gelovige door de onverdiende genade van de Heere het dal van de dood veilig doorkomt en in de haven van de eeuwigheid gelukkig aanlandt!
273