De maaltijd staat klaar

De maaltijd staat klaar

Stel je eens een maaltijd voor. De lekkerste maaltijd die je kunt verzinnen. Er staat ook water op die tafel. Dat water is zo ongelovelijk rein en zuiver dat ze zeggen dat wanneer je er van drinkt nooit meer dorst zal hebben. Je kijkt naar jezelf en je ziet een zwart gat met maden die er in en uit kruipen. Je huilt, want je weet dat het zwarte gat jou ooit eens zal opslokken. Het zwarte gat draag je al je hele leven, maar het is zwaar geworden. Het doet pijn. Er is een man die leest uit een boek waarin staat dat het eten er voor zorgt dat het zwarte gat verdwijnt en dat je door dat eten zelfs eeuwig zal mogen leven in het heerlijke warme licht van de grote Zon, die elke onreinheid doet verbranden. Mensen kijken je verbaast aan. Het eten lokt, maar ze snappen niet dat je wilt eten. Ze hebben het niet nodig, en ze denken dat jij dat ook niet nodig hebt, want ze zien de zwarte gaten niet in hun eigen lichaam en in dat van jou. De man geloven ze niet, want ze hebben de Zon nog nooit gezien. Ze kunnen wel leven zonder Zon. Het leven hier is prima en na dit leven is er niets. Verschrikkelijk misvormde lichamen strompelen langs je heen. Mensen praten er over en je hoort ze zeggen dat deze lichamen hun misvorming aan zichzelf te danken hebben. De lichamen eten van de tafel en lopen ogenschijnlijk onverandert weg, maar jij ziet het soms: Het zwarte gat is dichtgeschroeit en er brand nu een prachtig licht in de lichamen. De lichamen getuigen aan de mensen wat de maaltijd voor hun heeft gedaan, maar de mensen willen het niet horen. Er staan ook mensen die boos zijn op de lichamen. Zij geloven de man wel en geloven ook in de Zon. ze praten over mensen van vroeger die heel goed wisten wat zwarte gaten waren en dat ook heel goed beleefd hebben. Ze wisten wel dat ze een zwart gat bezitten, maar ze bezeffen het nog niet goed genoeg, daarom mogen ze nog niet eten. Eerst moet de Maker van het eten vertellen dat ze mogen eten. Net als bij de mensen van vroeger. De man en het boek zeggen wel dat de Maker zei dat het eten voor iedereen is die maar wil eten, en dat is waar, maar het is niet genoeg. Eerst moet de Maker het hun zelf vertellen. Stel je voor dat je zomaar eet van het lekkere eten, zonder toestemming van de Maker! Daarom zijn ze boos op de lichamen. De lichamen nemen genoegen met het woord van de man met het boek. Lekker makkelijk is dat. ze weten zelfs wat medelijden er uit te persen. Die lichamen gaan voor eeuwig verloren met hun ingebeelde redding. Stelers van het manna wat hun niet toe kwam. Nee, ze wachten geduldig op toestemming van de Maker. De Maker komt pas wanneer ze heel goed hun zwarte gat bezeffen dus gaan ze zoveel mogelijk lezen en spreken over de Zon en het zwarte gat en hoe mensen vroeger hun zwarte gat beleefd hebben. Jij kijkt naar jezelf. Je ziet de mensen spreken over wijze dingen en wijze mensenen en hoe ellendig die wijze mensen zich wel niet voelden. Je voelt je ineens onwaardig om van het voedsel te eten, want je huilt nu, maar lang niet altijd. Vaak (en dat doe je graag) vergeet je dat je een zwart gat bij je draagt. Je hoort dat de wijze mensen heel goed wisten dat ze een zwart gat hadden en dat ze er altijd over huilden en dat ze het zwarte gat nooit vergaten en dat ze elke dag verlangde te eten van het eten dat voor je staat. Voor die wijze mensen kwam de Maker langs en vertelden hun dat ze mochten eten, aldus het verhaal wat je hoort. Maar de man met het boek knikt nee en wenkt je om te komen eten. Je twijfelt en plotseling begint de man voor te lezen: O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. Ziet, Ik heb hem [tot] een getuige der volken gegeven, een vorst en gebieder der volken. Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om des HEEREN uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij heeft u verheerlijkt. Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want [gelijk] de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten. Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter; Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, [ook] zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn [in] hetgeen, waartoe Ik het zende. Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken [met] vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen. Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, [dat] niet uitgeroeid zal worden. Plotseling gaat het boek spreken en blijkt het Woord de Maker te zijn: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij. Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster. En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
273