Jan de Marskramer krijgt moeilijke vragen

Jan de Marskramer krijgt moeilijke vragen

Jan was een arme goddeloze man die met zijn mars van dorp tot dorp ging, vloekend, drinkend en wellicht ook wel stelend. Sommigen dachten, dat hij maar half bij zijn verstand was, maar zijn geschiedenis zal het bewijs leveren dat zijn geestvermogens in zeer gezonde toestand waren. Hij hoorde eens ergens een arme vrouw, die zong: ‘Ik ben een arme zondaar en ik ben niemandal, maar de Heere Jezus Christus is mijn Eén en al!’ Jan onthield de woorden en wat nog mooier was, hij voelde er de betekenis van; hij bleef dus deze woorden zingen en zong ze zolang de goede Geest van God ze in zijn hart graveerde en Jan de Marskramer een nieuw mens was. Toen probeerde hij zich bij de gemeente te voegen, maar de broeders zagen hem met achterdochtige blikken aan en vroegen hem: “Wat is uw ervaring (bevinding)?” Hij antwoordde, dat hij geen ervaring had dan:‘Ik ben een arme zondaar en ik ben niemandal, maar de Heere Jezus Christus is mijn Eén en al!’ De brave ouderlingen temperden zijn enthousiasme door onderzoekend te vragen: ‘Bent u bekeerd? Bent u wedergeboren? Jan antwoordde: ‘Van deze dingen weet ik niet veel te zeggen, maar wat ik wel weet en waar ik heel zeker van ben, is dit: ‘Ik ben een arme zondaar en ik ben niemandal, maar de Heere Jezus Christus is mijn Eén en al!’ Vooralsnog wezen zij hem af, om te zien of hij ook wat meer kennis zou verkrijgen, maar hij kon nooit verder komen dan zijn eerste grondregel, daar hield hij aan vast: ‘Ik ben een arme zondaar en ik ben niemandal, maar de Heere Jezus Christus is mijn Eén en al!’ Toen moest hij wel aangenomen worden, want men kon iemand met zo’n geloofsbelijdenis niet afwijzen. Toen hij met de broeders in de kerk kwam, was hij gelukkiger dan wie ook, waar zij zich over verwonderden. Iemand van de gemeente vroeg hem: ‘Broeder Jan, hebt u nooit eens twijfel en vrees?’ ‘Twijfel’, zei hij, ‘wat bedoelt u? Ik twijfel er nooit aan, dat ik ‘een arme zondaar’ ben, dat ik ‘niemandal’ ben, want ik heb er de dagelijkse bewijzen van en waarom zou ik twijfelen dat ‘Jezus mijn Eén en al is?’ Hij zegt het en ik moet Hem geloven’. ‘Zeer goed’, zei toen een ander, ‘soms ben ik ook wel in godzalige gestalten en dan voel ik mij zeer gelukkig, maar dan moet ik weer naar beneden en daarom word ik dan treurig’. Jan antwoordde: ‘ik kan nooit meer ‘naar beneden’ komen, dan ik al ben want ik ben geheel en al beneden, want ik ben een ‘arme zondaar, en niemandal’. Lager kan ik niet komen, niet waar? Maar ik ben ook heel hooggestemd, want: ‘Jezus Christus is mijn Eén en al’ en hoger dan dat kan ik ook niet komen, is het wel?’ Zij kwelden hem nog langer met hun bevindingen, waarvan u en ik genoeg gehoord hebben. Maar hij kon geen duimbreed van zijn standpunt afgebracht worden. Zij spraken hem van bevindingen, gedruktheid, angsten en hadden allerlei spitsvondigheden, maar onze marskramer bleef bij zijn stuk. Hij had de waarheid gekocht en wilde haar niet verkopen. Hij bleef bij zijn: ‘Ik ben een arme zondaar en ik ben niemandal, maar de Heere Jezus Christus is mijn Eén en al!’
273