Versleten ongeloof

Versleten ongeloof

In de oorlog had ik, naast mijn werk als jeugdpredikant, een tijdlang de pastorale zorg voor een groot ziekenhuis. Op een dag stond ik voor de deur van een ziekenkamer op de klasse-afdeling en wilde net aankloppen, toen er door de lange gang een jonge verpleegster aan kwam rennen. Nog buiten adem zei ze: 'Alstublieft, gaat u deze kamer niet binnen, dominee!' 'Maar waarom niet?' vroeg ik. 'Meneer heeft ons nadrukkelijk verzocht geen bezoek van een dominee toe te laten! Hij wil beslist niet dat u naar hem toegaat! Hij gooit u er gelijk uit!' Daarbij wees ze op het naambordje op de deur en ik las de naam van een bekend zakenman, die ik van reclamefolders kende. 'Zuster,' zei ik, 'ik heb zo langzamerhand een ijzeren zenuwgestel!' - en klopte aan. 'Binnen!' riep een krachtige mannenstem. Ik ging de kamer in. In bed lag een oude man met grijs haar. 'Goedendag!' zei ik. 'Ik ben dominee Busch!' 'O,' antwoordde hij, 'over u heb ik veel gehoord. U mag me gerust eens een bezoekje brengen!' 'Dat is geweldig!' zei ik verheugd. En toen vervolgde hij: 'Maar begin alstublieft niet over uw christendom!' 'Dat is pech hebben!' lachte ik hem toe. 'Daarover wilde ik het nu juist met u hebben!' 'Uitgesloten!' was zijn afwijzend antwoord. 'Geen sprake van! Daar heb ik mijn buik van vol! Weet u: als jongen werden de psalmen me ingepompt. En als ik ze niet kende, kreeg ik slaag. Als man heb ik toen mijn eigen wereldbeschouwing opgebouwd en daarin zijn Darwin, H├Ąckel en Nietzsche de steunpilaren!' Toen liep ik rood aan! Omdat ik helaas nogal snel boos word, barstte ik tegen hem los: 'Hoort u eens, meneer! Als een jongen van zestien jaar mij in z'n puberteitsjaren vertelde dat ie bijvoorbeeld Nietzsche tot zijn profeet had gemaakt, dan zou ik glimlachen en denken: "Dat zal wel weer overgaan. Je zult er wel achterkomen dat de moderne filosofen zelf niet meer in hun oude profeten geloven." Maar als een oude man, zoals u, aan de rand van de eeuwigheid zulke dingen tegen me zegt, dan is dat verschrikkelijk! U bent ernstig ziek. Wilt u met zulke onzin aankomen, als u voor God staat? Toe nou!' Verbaasd keek hij mij aan. Die toon was kennelijk nieuw voor hem. Maar toen dacht ik opeens: Ho jij! In het ziekenhuis mag je je niet zo laten gaan. Daar moet je met zijden handschoenen komen. En opeens kreeg ik intens medelijden met die arme man. Ik schakelde terug naar de eerste versnelling en vertelde hem, ondanks zijn aanvankelijke afweerhouding, over Jezus die ook zijn Goede Herder wilde zijn. Hij zuchtte diep: 'Ja, dat zou mooi zijn! Maar wat moet ik dan met mijn hele wereldbeschouwing? Moet ik dan alles wat ik mijn le- ven lang geloofd heb overboord gooien?' 'Jazeker!' riep ik vrolijk. 'Beste man! Gooi toch alles overboord wat u met het oog op de eeuwigheid toch niet kunt gebruiken! Gooi alles overboord, liever vandaag nog dan morgen! Met uw versleten ongeloof kan een mens toch niet rustig leven en behouden sterven. En werp u dan in de open armen van de Zoon van God, die voor u gestorven is en u vrijgekocht heeft. Die Verlosser wil ook uw Verlosser zijn!' Toen kwam de zuster binnen. Ze was verbaasd toen ze ons in een zo vertrouwelijk gesprek verwikkeld zag. Toen wenkte ze mij. Ik begreep het. Het was tijd om te gaan. Ik gaf de oude man verliet zachtjes de kamer. Ik weet een stevige handdruk en niet of hij het aangenomen heeft. Maar die nacht is hij gestorven!*

Uit: Jezus onze bestemming, Wilhelm Busch 

273