Heb ik me wat ingebeeld?

Heb ik me wat ingebeeld?

De achterliggende jaren heb ik het erg moeilijk gehad. Ik was vaak depressief. In die periode heb ik de Heere mogen leren kennen. Maar zou dat wel echt zijn? Ik ben zo bang dat het allemaal psychisch was en geen echt geestelijk leven. Heel wat mensen hebben zich zulke vragen gesteld. “Had ik de Heere niet nodig alleen omdat ik het zo moeilijk had? Ik ben een keer echt getroost en geholpen door de Heere, maar ik weet niet of ik wel bekeerd ben. Er is wel eens iets gebeurd, er zijn bepaalde ervaringen, maar… was dit nu wel echt van de Heere?” Nu is dit soort vragen aantrekkelijker dan een zelfverzekerdheid waar de zelfingenomenheid van afdruipt. Een zeker weten zonder diepe ootmoed is uiteindelijk ook niets waard. Aan de andere kant kunnen mensen heel lang in dit soort vragen blijven hangen. Vaak meer gericht op zichzelf, dan op Hem in Wie het leven alleen maar te vinden is. Voor alle duidelijkheid en eerlijkheid eerst deze opmerking. Helaas is het mogelijk dat iemand de Heere alleen nodig heeft om uit de problemen te komen. Het Oude Testament is er vol van. Zoals het volk Israël, dat de Heere telkens verliet, in grote problemen kwam, tot de Heere riep, door de Heere werd gered, om vervolgens weer op de oude zondige voet verder te gaan. De uitredding door de Heere was echt, maar de vrucht deugde niet. En daar komt het nou juist op aan. Een boom waar appels aan groeien, is een appelboom. Om dat vast te stellen hoef je echt de wortels niet bloot te leggen. Het is niet alleen verspilde energie, maar ook schadelijk voor de appels. In de tijd van W. à Brakel (predikant in de de 17e eeuw, schrijver van het boek ”De redelijke godsdienst”) leefde dit soort vragen ook al. Hij is duidelijk in zijn antwoord: “Of u door schrik bewogen bent geworden, het is hetzelfde of Naämans melaatsheid, Bartiméüs’ blindheid, Zachéüs’ nieuwsgierigheid of de angst van de stokbewaarder het begin is geweest om u tot Christus te leiden. Daarom houdt u met deze bedenkingen niet op, ziet u ware genade, erkent ze en versterkt er uw hart door.” Lees ook eens in de evangeliën. Je ziet daar vaak mensen in de weg van tijdelijke nood een eeuwige zegen ontvangen. Neem bijvoorbeeld de Kananese vrouw (Matthéüs 15). Ze komt tot Jezus met de nood van haar bezeten dochter. Stel dat ze zich af was blijven vragen: “Mag ik hiermee wel naar de Heere gaan? Moet ik niet eerst gericht zijn op de eer van God? Gaat het niet allemaal om mezelf? Ben ik wel echt van mijn zonde overtuigd?” Als ze in deze vragen was blijven hangen, was haar dochter nooit genezen! Maar ondanks de schijnbare afwijzingen door de Heere Jezus houdt ze vol, beleeft en belijdt ze haar onwaardigheid en wordt ze gered. Dat wil zeggen: haar dochter wordt genezen. Maar er gebeurt meer, want de Heere Jezus zegt: “O vrouw! groot is uw geloof…” En reken maar dat dit een echt geloof was. In de bedding van de nood om haar dochter vloeide de stroom van Gods genade. We moeten deze zaken maar niet te ver uit elkaar trekken. Natuurlijk is er wel degelijk onderscheid tussen tijdelijke en geestelijke nood, maar ze kunnen soms wonderlijk met elkaar vermengd zijn. Daarom nogmaals: het gaat om de vrucht! Gaat je hart uit naar de Heere Jezus? Kan en wil je zonder Hem niet meer leven? Is er een afkeer van de zonde? Over de vrucht van de Geest lees je ook in Galaten 5:22: Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, enzovoort. En als dat allemaal niet duidelijk is? Als je zegt: “Ik weet het echt niet!” Dan blijft er maar één weg over. De Weg met een hoofdletter. Die Weg mag je bewandelen, ook al twijfel je aan alles. De Heere Jezus is zo getrouw. Hij wil onderwijzen hen die dwalen. Hij is de goede Herder. Hij roept ook jou en belooft dat Hij zalig maakt eenieder die tot Hem komt en in Hem gelooft. Ik zal tot slot nog één keer à Brakel aan het woord laten. Bijbelser kan ik het niet zeggen: ”Zoals Christus u allen roept, zo belooft Hij ook allen, dat Hij niemand zal wegzenden en Zijn genade weigeren. Doorzoek de hele Bijbel of Hij iemand genade heeft geweigerd, die tot Hem kwam om gezaligd te worden. Zo zal Hij ook u niet verstoten. Kom dan!”
241