Help, er zijn geen vromen meer!

Help, er zijn geen vromen meer!

Een oproep om te leven door de Geest van Christus Onlangs werd ik getroffen door de volgende tekst uit Psalm 12: ‘Help toch, Here, want er zijn geen vromen meer; ja, de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen. Zij spreken valsheid tegen elkaar, zij spreken dubbelhartig, met gladde lippen.’ Onder christenen zouden zaken als liegen, overspel, ruzie, bedrog, afgunst en nog meer satanische zaken niet mogen voorkomen, toch? Helaas: voorbeelden te over die het tegendeel lijken te bewijzen. Af en toe komt er eens een onderzoek voorbij dat aantoont dat problemen met bijvoorbeeld pornografie net zo vaak binnen de kerkmuren voorkomen als daarbuiten. Maar ja, wat versta je onder ‘de kerk’… Recent herlas ik weer een boek dat de verwording van een evangelische huisgemeente tot een griezelige sekte beschrijft; helaas is dit slechts één geschiedkundige beschrijving van een geval zoals er vele zijn.1 Daar word je echt niet vrolijk van. Dit soort cijfers en gebeurtenissen verontrusten mij, ze brengen me soms zelfs in verwarring en roepen anderzijds een verontwaardiging in me op. Er is een discrepantie tussen hoe we als christenen vinden dat het zou moeten en de realiteit. Er is een discrepantie tussen de Bijbelse beschrijving van een christenleven en gemeente enerzijds en ons alledaagse leven anderzijds. Nu kun je daar op verschillende manieren mee omgaan. Voor sommigen is het kennelijk geen probleem. Ze doen wat goed voelt en beweren dat God het dan ook wel goed zal vinden; ook al gaat het rechtstreeks tegen Gods Woord in! Zij zijn zichzelf tot subjectieve maat; zolang het maar niet al te gortig wordt natuurlijk. De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan dat bepaalde zaken niet in een christenleven thuishoren. (Galaten 5:13-26). Bij de wedergeboorte ontvangt een mens de Heilige Geest en wordt Gods kind. Leven als kind van God bestaat er uit dat we naar deze Geest gaan wandelen. De Geest van God wordt ook wel ‘de Geest van Christus’ genoemd (Romeinen 8:9). Hier ligt dan ook het geheim om als Jezus te kunnen wandelen. Er is een nieuwe, interne motivatie en kracht om het oude, verkeerde achter te laten en een nieuw leven te gaan leiden.2 Waar deze kracht en motivatie ontbreken, is dit een ernstige zaak. Het zou er op kunnen duiden dat de betreffende persoon nog niet is wedergeboren; nog niet is overgegaan van de dood naar het leven. ‘Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven’ (Romeinen 8:13). Maar dan een blik naar binnen, in je eigen leven. Bij het wijzen naar de ander wijzen er nog altijd meer vingers naar jezelf, zei iemand eens. Door Gods genade zijn er mogelijk geen grove, uitwendige zonden, maar om nu te zeggen dat je wandelt zoals Jezus gewandeld heeft (1 Johannes 2:6)? Zelfs wedergeboren kinderen van God kunnen perioden van hun leven dwalen en afdwalen. Wie kent geen perioden van geestelijke droogte, lauwheid en gezapigheid. Maar iedere keer is daar weer de Here Jezus die oproept om terug te keren tot die eerste liefde (Openbaring 2:4,5). Ook staat daar de belofte van de Goede Herder. Hij bewaart en staat ervoor in dat geen van Zijn schapen verloren gaat (Johannes 10:28). Desalniettemin is het een strijd, een wedloop; er is geen ruimte om eens rustig achterover te gaan leunen. Er klinkt de oproep tot strijd tegen de zonde en de mogelijkheid van overwinning door de Geest van God. Wie durft te zeggen dat hij ten bloede toe heeft gestreden (Hebreeën 12:4)? Wordt die strijd echter niet vanuit Gods Geest gevoerd, dan is het een verloren en uitputtende zaak. Bovenstaande houdt niet in dat we de volmaaktheid in dit leven kunnen bereiken. Steeds opnieuw is daar het kostbare bloed van Jezus Christus, dat reinigt van zonden (1 Johannes 1). Het Evangelie van Gods vrije genade moet klinken en blijven klinken. Gods Woord moet alle schuilplaatsen en bolwerken slechten. Er moet geen ontsnappen mogelijk zijn. Zijn Woord moet in alle volheid klinken en werkt met de kracht als van een hamer. In de aanhoudende beschuldiging en aanklacht vanwege onze zonde en verlorenheid klinkt er een uitweg: Jezus! In jouw plaats gestorven. Zo is er dan geen verdoemenis voor hen die in Jezus Christus zijn (Romeinen 8:1). Waar het Evangelie in volheid klinkt en geloofd wordt, worden zonden vergeven en ontstaat er nieuw leven. Toch is daar tegenover deze heerlijke werkelijkheid, die andere, waarover de Psalmdichter het naar God uitroept. En hoe vaak spreekt God Zelf in de profeten Zijn volk niet aan op een levenswandel die niet klopt? Hoe moet ik nu omgaan met de zonden bij anderen? Met zonde in de gemeente? Durven we anderen nog op zaken aan te spreken? Spreken we überhaupt onszelf nog wel eens aan? Allereerst is het goed om oog te hebben voor eigen zonden, maar dit houdt niet in dat je met de rest dan niets meer moet of doet. Met de frase “niet oordelen” maken we onszelf en anderen monddood. De Bijbel zegt wel wat meer. In 1 Johannes 5 wordt onderscheid gemaakt tussen zonden die wel en niet tot de dood leiden. In het laatste geval zal God de ander het leven geven als wij Hem daar om vragen. Naar mijn overtuiging is er voor een christen een onderscheid tussen ‘in zonde vallen’ en ‘in zonde leven’. Omdat we zo op het oog het onderscheid niet kunnen maken, is het goed om de ander op de zonde aan te spreken. De Bijbel leert om bij niet luisteren een ander mee te nemen en bij blijvend volharden in zonde het de gemeente te zeggen. Een vorm van ‘gemeentetucht’ zou in sommige gevallen niet geschuwd moeten worden. Er moet op dit gebied weer meer onderscheid met de wereld komen. De gemeente is de plaats waar Jezus Heer is en ‘een ieder die de Naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid’ (2 Timoteüs 2:19). In de Korinthe-brieven wordt beschreven hoe dit bij iemand tot bekering heeft geleid (1 Korintiërs 5, 2 Korintiërs 7). We kunnen het ons als christen niet permitteren om slordig te leven of zonde toe te laten. Daarmee geven we buitenstaanders de gelegenheid om Degene die ons heeft vrijgekocht te lasteren, brengen we pijn en verwarring bij medechristenen en zijn we ongehoorzaam aan Gods opdracht om te leven door Zijn Geest. Voor sommigen in de gemeente ligt de problematiek echter dieper; nooit was er een echte ontmoeting met God. Zonder wedergeboorte voel je je nog prima in de zonde en volgt er ook geen bekering, mochten medebroeders en -zusters je al eens een keer aanspreken. Is het u nooit opgevallen dat velen zonder moeite in de gemeente kunnen komen en blijven, soms zelfs een taak krijgen en desondanks in zonde kunnen blijven leven? Ligt dat dan aan hen of ligt dat aan de gemeente? Hier ligt een enorme verantwoordelijkheid voor sprekers, voorgangers en dominees. Je kunt jarenlang om de moeilijke teksten heen preken. Aan in slaap gesuste gemeenten heeft de duivel geen partij. Als een prediker nooit problemen met mensen krijgt vanwege de zogenaamd ‘veroordelende’ inhoud van de preek, moet hij eens na gaan denken. Paulus, Elia, Jeremia, Stefanus, Jezus Christus Zelf; ze hadden niet alleen maar vrienden.3 Gods boodschap kan namelijk behoorlijk tegen de haren instrijken. De zondeval heeft diepe sporen nagelaten. Ieder mens is van nature een vijand van God en het ‘begeren van het vlees’ gaat ook bij de christen van binnen in tegen wat God wil.4 Daarom is het zo belangrijk dat de Geest van God in een mens komt wonen (wedergeboorte) en wij door die Geest vervuld worden. Dat laatste keer op keer! Die Geest is namelijk Gods Geest en dan wordt ons verlangen Gods verlangen, ons willen Gods willen en ons liefhebben God liefhebben. In aanvulling op Psalm 12 zou ik willen bidden: “Help toch Heer en geef leven! Laat de afstotelijkheid van de zonde en de Heerlijkheid van Christus zien. En leer ons, Uw kinderen, steeds tot Uw eer te wandelen door Uw Geest. Amen!”

265