Einde van reformatorische zuil biedt kansen voor hernieuwde Reformatie

Einde van reformatorische zuil biedt kansen voor hernieuwde Reformatie

Het einde van de reformatorische zuil is in zicht. Dat betoogt Johan Schouls in zijn boek Up to date gereformeerd. Zijn diagnose lijkt momenteel door vriend en vijand te worden onderschreven. De vraag is dan niet óf het waar is maar hóe we de teloorgang moeten beoordelen. Biedt het einde van de zuil niet kansen voor het reformatorisch erfgoed? Het is tijd om onze blik te richten op de toekomst. De huidige refozuil lijkt veel op wat Johan Huizinga schreef in zijn boek In de schaduw van morgen (1935) over de razernij waaruit de Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, “de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.” De reformatorische organisaties hebben zich op tal van terreinen uitgebouwd en leven nog voort, de vlaggen wapperen, maar de geest, de innerlijke drijfkracht, is verdwenen. Schouls maakt zich weinig illusies: het is een kwestie van tijd en de zuil is voorbij. “Er staat nog een huis, maar de ramen en deuren zijn er eruit en de wind van onze cultuur waait er dwars doorheen.” Sociaal isolement biedt geen soelaas. “Hoe principieel refo’s ook willen zijn, de werkelijkheid zal te weerbarstig zijn om de refo-principes waar te maken op de manier waarop ze dat altijd deden.” Als het gaat om de refozuil, spreken we hier –voor de duidelijkheid– over de reformatorische zuil zoals die met name gestalte kreeg sinds de jaren zeventig, als vervanging van het woord protestants-christelijk en als alternatief voor (modern)gereformeerden, evangelischen en vrijgemaakten. De refozuil heeft dus niets te maken met een oproep tot terugkeer tot de Reformatie. Het is een sociologische naam die ook wel eens gebezigd wordt voor bevindelijk-gereformeerden, een groep die weer onderscheiden wordt van andere gereformeerden, zoals synodaal-gereformeerden, vrijgemaakt-gereformeerden of orthodox-gereformeerden (wel orthodox, maar niet bevindelijk). Doel van de refozuil was vooral om de eigen mensen te beschermen tegen en zelfs af te schermen van het proces van secularisatie (Schouls). Inmiddels weten we echter dat deze functie zijn tijd heeft gehad en dat de refojongeren volop meedoen met de wereld. Enquêtes geven ons hierover een duidelijk inzicht. Het luisteren naar moderne muziek, vrije opvattingen van seksualiteit, drankgebruik, gebruik van media (film, internet) en allerlei vormen van amusement, dit alles noopt slechts tot één conclusie: de refo onderscheidt zich niet meer van de wereld, ja, is zelf deel van de wereld geworden. De godsdienstsocioloog Hijme Stoffels heeft al in 1995 gewezen op de tegenstrijdigheid van de refozuil: aan de ene kant isoleert zij zich van de wereld, aan de andere kant doet ze volop met de wereld mee. Het enige verschil is dat zij de ontwikkelingen op gepaste afstand volgt. Hij spreekt van een “compartimentalisatie”, een scheiding tussen de persoonlijke leefwereld waarin geloof en moraal een heersende rol spelen en het publieke domein waarin zij zich doorgaans als onopvallende medeburgers gedragen. Hier doet zich ook een theologisch probleem voor, waarop dr. C. A. van der Sluijs diverse malen heeft gewezen. Hij spreekt van ‘de theologie van de refozuil’ die zich zijns inziens kenmerkt door het losmaken van wedergeboorte en geloof. Het geeft geleid tot het zich schikken in de weg der middelen en uitwendig naar het Woord te leven. Het is allemaal wel niet ‘genoeg’, maar er is toch reeds een ‘begin’. De theologie van de refocultuur is gebaseerd op de zogenaamde derde weg. Men is niet bekeerd (dat is te ver gegrepen) maar ook niet ongelovig (men is immers zoekend, vragend). “De enige oplossing voor het ‘refo’-probleem ligt in de verlossing”, zo stelt hij kort en krachtig. De term refozuil heeft geen goede naam. John Exalto noemt in dit nummer van Zicht het opmerkelijk dat zodra er in de reformatorische pers gesproken werd over een ‘reformatorische zuil’ dit prompt gepaard ging met kritische reflectie op de wenselijkheid van zo’n organisatienetwerk op levensbeschouwelijke basis. Kennelijk voldoet het niet aan de verwachting waarmee verschillende organisaties destijds in het leven werden geroepen. De bewarende en soms ook toerustende functie is gewaardeerd, maar momenteel heerst er het algemeen gevoelen dat de refozuil op zijn einde loopt. Historische analyses van de gereformeerde en katholieke zuil die halverwege de vorige eeuw –soms in enkele luttele jaren!– ineenstortte stemmen ook niet optimistisch over het overleven van de refozuil. De bouwwerken kunnen dan nog wel (lang) blijven staan, de geest is geweken en het is een kwestie van tijd dat ook de gevels naar beneden storten. Innerlijke weerbaarheid Wat in veel analyses van de refozuil de laatste jaren naar voren komt is dat alleen innerlijke weerbaarheid soelaas biedt om staande te blijven in de maalstroom van de wereld. We beseffen steeds meer dat de principes niet te redden zijn met regels en codes. Het komt aan op innerlijke toerusting, die mijns inziens belangrijker is dan het lobbyen richting de overheid of het opzetten van een denktank. Maar openbaart zich hier niet een dieperliggende onenigheid? Wie tot de refozuil wil behoren moet een aantal theologische regels onderschrijven, zo betoogde Fred van Lieburg eens. Zijn we het niet wezenlijk oneens over hoe het geloof eruit ziet? Een van de refo-scholieren in dit nummer merkt op dat op refo-scholen over persoonlijk geloof nauwelijks gesproken wordt. De reformatorische kerken lijken volgens Schouls soms alle aandacht te richten op enkele onderscheidingen die zelfs kerkscheidend zijn geworden, zoals ten aanzien van de leer van het verbond, het aanbod van genade en de toe-eigening van het heil. “Er treedt dan een versmalling van de identiteit op. Enkele facetten worden uitvergroot en andere komen nauwelijks aan de orde.” Zo kan het tegenwoordig gebeuren dat jongeren die zich wekelijks te buiten gaan in liederlijk gedrag, zich op zaterdagavond tot diep in de nacht in drankketen bevinden, door kerk en school met rust gelaten worden, terwijl meelevende en soms als ‘evangelisch’ gekarakteriseerde jongeren die op eigen initiatief een bijbel- of gebedskring beginnen of jongerenavonden bezoeken op bezoek van een kerkenraad kunnen rekenen en soms met (tucht)maatregelen geconfronteerd worden. Op dit punt blijkt hoe theologische opvattingen in de refozuil de groepsidentiteit bepalen. Schouls stelt daarbij het functioneren van de tale Kanaäns aan de orde. Waarom kunnen we over geloofszaken niet gewoon praten? De echtheid van het geloofsleven wordt verbonden met de wijze waarop de woorden worden gebracht en gekozen. Geloof is volgens hem echter niet afhankelijk van specifiek taalgebruik, dat zeker niet een barrière kan en mag vormen. “Voor de verwoording van geloofsbeleving is een veelzijdiger taalveld nodig om de brug te slaan tussen de generaties.” Schouls zet in op de christelijke gemeente als plaats waar de weerbaarheid in deze seculiere wereld gestalte moet krijgen. We mogen ons niet bij onze geestelijke armoede neerleggen en kerkelijk onder de maat leven als we constateren dat de meeste leden van de gemeente niet wedergeboren zijn. De Heere stuurde profeten om op te roepen tot bekering van openbare zonden en van lege vormendienst. Uiterlijke kenmerken kunnen een herkenningspunt zijn voor outsiders, maar als er door ons refo’s niets méér wordt uitgedragen dan uiterlijke kenmerken dan is dat een arm aandeel, aldus Schouls. Veruiterlijking is iets waar veel jongeren zich aan stoten. “Het zou geweldig zijn als de uiterlijke kenmerken juist een aanbeveling zouden zijn voor het leven met God.” Het is van belang dat ‘opinieleiders’ en bestuurders in de refokring weten te onderscheiden tussen de kern van het geloof en de vormgeving daarvan. Als er bijvoorbeeld nog steeds discussies zijn over de legging en de HSV (“geneuzel” volgens een recente typering van ds. J. Post), al dan niet gefilterd internet en andere zaken, is het de grote vraag of deze discussies niet al lang achterhaald zijn. De discussie over de legging volgen jongeren al lang niet meer (het brengt overigens de schoolleiding in razernij: een legging mag in de winter wel omdat de hoge laarzen deze onzichtbaar maken, in de zomer niet omdat dan het gewraakte kledingstuk zich toont), de HSV is voor de meesten al achterhaald omdat men óf veel verder gaat deze vertaling en massaal Het Boek of de NBV gebruikt óf onverschillig de SV gebruikt en het verder het wel best vindt; en wat internet betreft, men is onbeperkt on line en ongefilterd, en ook steeds meer op de mobiele telefoon. Dus discussies gaan over zaken die al lang niet meer spelen en een dus een achterhoedegevecht vormen. Peter van Olst stelt in dit nummer van Zicht de vraag of de zuil bestand zal blijken tegen het wegvallen van steeds meer materiële en immateriële (overheids)steun? “Of moeten we vrezen dat de innerlijke uitholling inmiddels zo ver is voortgeschreden dat de ineenstorting nabij is? En wat zou dat dan voor al die eens zo beschermde reformatorische kinderen, jongeren en volwassenen betekenen?” Om het scherper te stellen vergelijkt hij het geheel van organisaties, instituties en conventies niet met een zuil, maar met een (broei)kas. Binnen de kas is het gemakkelijk groeien. Licht en warmte zijn immers gegarandeerd. Bescherming tegen de wind ook. “Maar als de ramen op een kwade dag wegwaaien, zullen die prachtige gewassen kasplantjes blijken. Zullen ze de storm overleven? Of zijn ze daar eenvoudig niet op berekend?” Hij houdt de gereformeerde Nederlanders de jonge christenen uit de sloppenwijken van Ecuador de spiegel voor. “Van veel ingewikkelde discussies in de gereformeerde gezindte in Nederland hebben mijn Ecuadoraanse vrienden geen weet. Vragen rond de censurabiliteit van internet- of televisiebezit, de vrouw in de politiek, broeken of rokken op school en wel of niet verzekeren of inenten zijn hun (nog) vreemd of liggen (nog) buiten hun gezichtsveld. Maar qua karakter houden ze ons, dwars door schade en schande heen, toch een spiegel voor.” Geestelijke crisis De refozuil heeft mijns inziens te maken met een geestelijke crisis waarvan de symptomen zich steeds meer manifesteren. De gereformeerde gezindte in haar breedte worstelt met twee problemen, ter rechterzijde en linkerzijde: het verondersteld ongeloof en het verondersteld geloof. Aan de rechterflank gaat men uit van de situatie van ongeloof en onbekeerd-zijn, een vooronderstelling die men accepteert en waar men zich (moedeloos?) bij neerlegt. De doop is slechts een uitwendige zaak waarop men niet mag pleiten (zoals onlangs een predikant nog eens benadrukte). Aan de linkerflank is er het gevaar van een verondersteld geloof. Men hoort er krachtens de doop gewoon bij, de rechtvaardiging is een gepasseerd station en men kan zich voortaan concentreren op de heiligmaking. In beide genoemde kringen is er sprake van verbondsautomatisme, bij de een als een vanzelfsprekend buiten het verbond zijn, bij de ander als een binnen het verbond zijn. In beide gevallen functioneert niet de bijbels-gereformeerde verbondsleer volgens hetwelk de gedoopten in het verbond begrepen zijn maar waar zij de weldaden alleen in een weg van geloof en bekering deelachtig worden. In beide gevallen manifesteert de secularisatie zich even sterk, al verhult zich dat bij de een onder een kerkelijke vorm (men komt immers elke zondag getrouw ‘onder de middelen’), bij de ander is dat openlijk (resulterend in bijvoorbeeld kerkverlating of marginaal kerkbezoek). De secularisatie van de refozuil is mijns inziens ook een ouderprobleem. Welke voorbeelden krijgen kinderen van hun ouders mee? Ik heb de indruk dat in een doorsnee refogezin de prioriteiten van werk, carrière, vakantie en in het algemeen geld en goed de boventoon voeren. Men is druk met het ‘hier en nu’, in het algemeen met: ‘huisje, tuintje, boompje, beestje’, op zich overigens ‘neutrale’ zaken. De klacht van Driestar-rector L. N. Rottier onlangs dat de opkomst op bijeenkomsten rond identiteit of op ontmoetingsdagen van reformatorische leraren (GOLV) sterk terugloopt, heeft denk ik te maken met puur banale redenen: men is te druk met eigen beslommeringen en men wil zich niet inzetten voor belangen die het privé-leven overstijgen en relevant zijn voor kerk, politiek en samenleving. We zien bij ouders de laatste tijd een merkwaardige concentratie op de prestatiedrang van kinderen op scholen, die lijkt ingegeven te zijn doordat zij hun eigen wensen projecteren op hun kinderen (compensatie van eigen onvervulde wensen?). Komt hier niet de innerlijke zelfcrisis van de reformatorische ouder openbaar? Het doel van het menselijk bestaan is om geestelijk volwassen te worden, in het licht van onze relatie met de Eeuwige. Stokt deze ontwikkeling, dan blijft de mens in vertwijfeling steken en komt het geestelijke waartoe hij wordt opgeroepen niet tot een doorbraak. Hij is dan niet met zichzelf in het reine, mist het eeuwigheidsperspectief en stort zich daarom op deze wereld, al is dat in de meeste gevallen op geoorloofde zaken van arbeid, huwelijk en gezin. De onopgeloste vragen rond de toe-eigening bevorderen ook niet een leven uit de dankbaarheid en het geven van een vrijmoedig getuigenis, zodat het mede daarom niet tot komt tot genoemde geestelijke volwassenheid. Dr. H. van den Belt schreef eens: “Zolang onze eigen zaligheid of de vraag naar de zekerheid van het geloof centraal staat, is er nog geen sprake van geestelijke volwassenheid.” Schouls zet in bij Bijbelse mondigheid. Terecht, lijkt me. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer zei al tijdens de Tweede Wereldoorlog dat we een tijd van mondigheid tegemoet gaan en dat de kerk hierop moet inspelen. Er is natuurlijk veel negatiefs te zeggen over de moderne mondigheid voor zover die een vrucht is van de Verlichting en voortkomt uit ons verdorven hart, maar als gezagsdragers hebben we met een nieuwe generatie rekening te houden die luistert naar argumenten. Dat vergt toerusting, kennis van complexe onderwerpen, invoelingsvermogen in de ander, wat moeilijker is dan het strooien met clichés of het nemen van ferme maatregelen gebaseerd op gezag (macht). Ik wil niet pessimistisch eindigen. Ik meen dat het einde van de refozuil, in welk proces we nu zitten, kansen voor de toekomst biedt. Deze tijd is een schifting waarin het eigenlijke en wezenlijke naar boven komt. Ik zie daarin ook duidelijk tekenen bij jongeren. Daarom ben ik optimistisch voor de toekomst omdat de Geest Zich niet aan banden laat leggen, ook niet door de refozuil. Als het einde van de refozuil leidt tot ontdekking van de nog altijd actuele beginselen van de Reformatie, doet de refozuil haar eigen naam eer aan. Het zou een mooi gegeven zijn bij de herdenking van 500 jaar Reformatie in 2017. In die tussentijd hebben we als refozuil genoeg huiswerk te doen, juist ten behoeve van onze jeugd. Dr. K. van der Zwaag, redactievoorzitter van Zicht Met toestemming geplaatst.
268