In wiens handen lig jij?

In wiens handen lig jij?

Op 8 juli 1741 hield Jonathan Edwards een bekend geworden preek over Deut. 32:35: “Zondaren in de handen van een vertoornd God”. Edwards heeft deze aangrijpende preek gehouden in Enfield, op uitnodiging van de plaatselijke predikant, ‘omdat de mensen zo bijzonder ongevoelig waren voor de boodschap van het Evangelie’. De uitwerking van de preek was, dat er, voordat de preek ten einde was, door het gehele gebouw uitroepen als deze werden gehoord: ‘Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? O, ik ga naar de hel! O, wat zal ik doen om Christus te verkrijgen? Gebruike God ook dit gedeelte uit zijn preek om jou met deze mensen te doen bidden: “Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Hem is geen leven!” Goddelozen liggen al onder een vonnis dat hen veroordeelt tot de hel. Zijn verdienen niet alleen rechtvaardig daarin geworpen te worden, maar het vonnis van de wet van God is tegen hen uitgegaan en getuigt tegen hen. Dus zij zijn al tot de hel veroordeeld: “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld” (Joh. 3:18). Dus eigenlijk hoort ieder onbekeerd mens in de hel thuis; dat is zijn plaats; uit die plaats komt hij: Gijlieden zijt van beneden (Joh. 8:23). Naar die plaats gaat hij beslist, het is de plaats die de gerechtigheid, Gods Woord en het vonnis van Zijn onveranderlijke wet hem toewijzen. Goddelozen wacht het eeuwige verderf... De toorn van God brandt tegen hen; hun verdoemenis sluimert niet. De put en het vuur zijn gereed; de oven is al heet, gereed om hen te ontvangen. De vlammen woede en gloeien. Het glinsterend zwaard is gewet en wordt boven hen gehouden, en de put heeft zijn mond onder hen geopend. De duivel staat klaar om op hen aan te vallen en hen als zijn eigendom te grijpen, op het moment dat God het hem zal toestaan. Zij zijn zijn eigendom, hij heeft hun ziel in bezit en heerschappij. De Schrift stelt hen voor als zijn goederen (Luk. 11:21). De duivelen staan op de loer; zij staan altijd bij hen aan hun rechterhand (Zach. 3:1). Zijn staan op hen te wachten als gulzige, hongerige leeuwen die hun prooi zien en verwachten dat ze die krijgen zullen, maar die voor het ogenblik worden tegengehouden. Als God Zijn hand zou terugtrekken, waardoor zij in bedwang worden gehouden, dan zouden ze in één ogenblik op hun arme zielen afvliegen. De oude slang heeft zijn kaken gesperd; de hel opent haar mond wijd om hen te ontvangen, en als God het zou toestaan, dan zouden zij haastig opgeslokt zijn en verloren gaan. Alle moeite en vindingrijkheid die de goddelozen gebruiken om aan de hel te ontsnappen zolang zij Christus blijven verwerpen en dus goddelozen blijven, beschermt hen niet een ogenblik tegen de hel! Godsdienst kunt u niet redden... Het is overduidelijk dat zolang een natuurlijk mens niet in Christus gelooft, hij zich op godsdienstig gebied alle moeiten kan getroosten en gebeden kan doen, die hij maar wil, maar dat God op geen enkele wijze verplicht is hem één ogenblik voor het eeuwige verderf te bewaren. Zo komt het dus dat natuurlijke mensen in de hand van God boven de put van de hel worden gehouden. Zijn hebben de vurige oven verdiend en zijn er reeds toe veroordeeld. Kortom, zij hebben geen toevlucht, niets dat zij kunnen aangrijpen. Het is de soevereine, vrijmachtige wil, en de algemene, vrijwillige verdraagzaamheid van een vertoornd God waardoor zij ieder ogenblik bewaard worden. Waarom zo’n aangrijpende boodschap? Het nut van dit ontzettende onderwerp kan zijn om onbekeerde mensen in deze gemeente (en ook jou?) te doen ontwaken. Wat u gehoord hebt is het geval met een ieder van u die buiten Christus is. Dus een ieder van u die nooit een grote verandering van hart heeft ondergaan door de machtige kracht van Gods Geest in uw ziel; u die nooit bent wedergeboren en een nieuw schepsel werd: u bevindt zich in de handen van een vertoornd God. Hoe u ook uw leven in veel zaken mag hebben verbeterd en wellicht godsdienstige aandoeningen hebt gehad en een vorm van godsdienst in uw huisgezin en binnenkamer en in het huis van God onderhoudt, toch is het enkel en alleen Zijn welbehagen dat ervoor zorgt dat u niet op DIT ogenblik in het eeuwige verderf wordt verzwolgen. Laat u met God verzoenen, want u hebt niets om vast te grijpen! O, zondaar! Denk toch eens na over het vreselijke gevaar waarin u zich bevindt! U hangt aan een dunne draad, terwijl de vlammen van de Goddelijke toorn eromheen flikkeren en hem elk ogenblik kunnen verschroeien en helemaal verbranden. U hebt geen deel aan een Middelaar en hebt niets wat u kunt vastgrijpen om uzelf te redden; niets om de vlammen des toorns van u af te houden; niets van uzelf; niets wat u ooit hebt gedaan, niets wat u kunt doen om God te bewegen u één ogenblik te sparen. De deur van genade staat wijd open! Nu nog hebt u een buitengewone gelegenheid, een dag waarop Christus de deur der genade wijd heeft opengezet; en Hij staat binnen met luide stem arme zondaren te roepen; een dag waarop velen tot Hem samenstromen en geweld doen op het Koninkrijk Gods. Vele komen dagelijks van oosten en westen, van noorden en zuiden. Vele die pas nog in dezelfde ellendige toestand waren als die waarin u verkeert, zijn u in een gelukkige staat. Hun hart is vervuld met liefde tot Hem, Die heb heeft liefgehad en hen van hun zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en zij verblijden zich in de hoop der heerlijkheid Gods. Hoe vreselijk is het op zo’n dag te worden achtergelaten! Om zoveel anderen te zien feestvieren, terwijl u wegkwijnt en omkomt! Om zovelen zich te zien te verheugen en te zien juichen van goeder harten, en te huilen van verbreking des geestes (Jes. 65:14). HOE IS HET MOGELIJK DAT U EEN MOMENT IN ZO’N TOESTAND KUNT RUSTEN? En u, jonge mannen en jonge vrouwen, zult u deze kostelijke tijd die u geniet verwaarlozen, terwijl zovele anderen van uw leeftijd alle ijdelheden van de jeugd vaarwel zeggen en tot Christus komen? U in het bijzonder hebt thans een buitengewone gelegenheid, maar als u die verwaarloost, zal het spoedig met u precies zo zijn als met die mensen die alle kostelijke dagen van de jeugd in de zonde hebben doorgebracht, en nu in zo’n vreselijke blindheid en hardheid zijn terechtgekomen. En jullie, kinderen die onbekeerd zijn, weten jullie niet dat je naar de hel gaat om de vreselijke toorn te dragen van die God Die nu elke dag en elke nacht op jullie toornt? Zijn jullie ermee tevreden kinderen van de duivel te zijn, terwijl zoveel andere kinderen in het land bekeerd worden en de heilige en gelukkige kinderen van de Koning der koningen geworden zijn? Laat ieder die nog buiten Christus is en boven de put der hel hangt luisteren naar de luide roepstemmen van Gods Woord en voorzienigheid. Laat daarom een ieder die buiten Christus is nu wakker worden en de toekomende toorn ontvlieden. De toorn van de almachtige God hangt nu ongetwijfeld boven een groot deel van deze vergadering. Laat een ieder uit Sodom vluchten: haast u en behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. Uit: ‘Een Schuilplaats in gevaren’ (Jonathan Edwards)
269