Wie komen er in de hemel?

Wie komen er in de hemel?

In de vorige eeuw is er iets merkwaardigs voorgevallen in de grote stad Parijs. Daar is een grote roomse kerk, Notre Dame, waarin op een zondag een beroemd pastoor zou spreken. In die kerk kunnen 5000 mensen zitten en zij was geheel gevuld met mensen, begerig om die begaafde redenaar te horen. Hij was een zeer ernstig man die de grote verantwoordelijkheid voor de zielen van zijn hoorders gevoeld moet hebben. Hij zei: ‘Mijn vrienden, jullie weten dat de Here ons eenmaal voor Zijn rechterstoel zal dagen en dat wij dan zullen verdeeld zijn in een rechter- en een linkerzijde, in schapen en bokken. De schapen worden behouden en de bokken zijn verloren. Nu is het voor ons van het uiterste gewicht uit te maken waar in die dag onze plaats zal zijn, aan de rechter- of aan de linkerzijde van de Here. Welnu, laat ons nu onszelf als voor de grote witte troon plaatsen en met Zijn Woord in de hand, uitmaken, waar onze plaats zou zijn; onder de schapen of onder de bokken. Het woord des Heeren zal ons ten uiterste dagen oordelen. Laat ons dan dat Woord raadplegen. Vooreerst vinden wij daarin geschreven, het deel van de leugenaar is in de poel, die van vuur en sulfer brandt (Opb. 21:8 ). Neem alle leugenaars uit deze vergadering en breng ze naar de linkerzijde. Zij zullen verontschuldigingen willen inbrengen, maar het zal niet baten. Het blijft er bij; aan het woord van God is niets te veranderen. De meerderheid gaat links. Wie nog meer naar de linkerzijde? Allen, die de werken van het vlees doen: ‘overspel, hoererij, onreinigheid, tuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.’ Neem al die mensen hier uit, naar de linkerzijde. U zult u beroepen op uw doop, uw christendom, uw best doen. Het zal niets baten. Paulus schreef dit aan de gemeente van Galatië, aan gedoopte mensen. Naar de linkerzijde met u allen! Wie nog meer? Er blijven er niet veel meer over. Degenen, waarvan Paulus zegt, dat zij anders wandelen dan hij. Van wie god is de buik, die aardse dingen bedenken, waarvan Paulus wenende zegt, dat ze vijanden van het kruis van Christus zijn. Wie nog meer? Die geld begeren, gierigaards zijn, die begeren naar geld, die rijk willen worden. Aan de linkerzijde! Er blijven er nog maar weinig over! Wie nog meer? Die niet geboren zijn uit water en geest; die de Geest van Christus niet hebben. De Here zegt het, dat de zodanige het koninkrijk Gods niet zullen zien, en Paulus, dat ze Hem niet toekomen. Wie nog meer? Die naar het vlees wandelen, niet geleid worden door Gods Geest. Die zijn broeder haat, waarvan staat dat hij het eeuwige leven niet heeft, in zich blijvende. Die zijn tong in toom houdt en zo een ijdele godsdienst heeft. Die niet geloofd heeft in Jezus Christus! Die voor zichzelf geleefd heeft (2 Kor. 5:14) Deze allen zijn verloren mensen. Wie nog meer? Ach! Er blijven er zo weinig over! Wie nog? Die God niet kennen en het Evangelie ongehoorzaam zijn, waarvan geschreven staat , dat de Heere Jezus Zelf met een vlammend vuur over hen zal wraak oefenen. Toen de prediker zo alle bokken had aangewezen, barstte hij in tranen uit en het aangezicht bedekkende met zijn handen, riep hij in diepe smart: ‘O, God waar zijn uw schapen, uw uitverkorenen! O God! Wat blijft er over van uw deel?’ En de hele vergadering werd ontzet en slaakte een kreet van vrees, gevoelende, wij zijn verloren! Toen hij dit gezegd had, riep een man uit het volk, met sterke stem: ‘Als dat waar is, komt er niemand in de hemel!’ Dat zei zijn geweten en het geweten van hen die het hoorden, bevestigde deze verklaring. De prediker zei: ‘Mijn vrienden, het is echt zo, wij zijn allen verloren. De Here Jezus heeft het zeer uitdrukkelijk gezegd: ‘Indien u zich niet bekeert, zult u allen desgelijks vergaan.’ En: ‘Zonder heiligmaking zal niemand de Here zien.’ Wij kunnen onszelf wijs maken dat deze dingen niet zo zijn, maar ze zijn wel zo. Eerder zou al wat leeft en ooit geleefd heeft, vergaan, dan dat God zou ophouden een heilig en rechtvaardig God te zijn of zou aflaten van Zijn eis: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig.’ Waar Zijn hulp wordt afgewezen door ongeloof en wereldgezindheid, geldt het woord: ‘Uw bloed zij op uw hoofd’, dat is: de gevolgen van uw goddeloosheid blijven voor uw rekening. Daarom, wanneer u onbekeerd bent, laat u gezeggen. Luister naar Jezus, dan zult u gezegend zijn in tijd en eeuwigheid.’ Het bovenstaande verhaal is overgenomen uit: Straatprediking door J. Esser. Verderop in zijn boekje schrijft hij de woorden: ‘Ons land heeft herleving nodig! Herleving van hen, die de Here belijden! De christenen slapen voor het merendeel. Zie, waarmee ze hun kostelijke tijd doorbrengen. Zij kunnen allerlei nietswaardige dingen najagen, uren verpraten, zelfs romans lezen, terwijl zij wel weten dat duisternis de aarde bedekt en donkerheid de volken. Ze blijven dood kalm, ook al zijn eigen kinderen en familieleden onbekeerd. Hoe vele christenen leven inderdaad meer voor zichzelf, voor hun zaken dan voor de Here! God almachtig geve u een verterende ijver, alsof de redding van allen die behouden worden, alleen aan uw trouw, aan het vuur uwer overtuiging en de warmte van uw hart hing. De hemel boven ons is ernstig; de Vader, Zoon en Heilige Geest waren ernstig tot het bloed van Getsemané en Golgotha toe, om de boze zijn prooi te ontwringen. De satan en de zijnen zijn bloed ernstig ten verderve. De zonde en de dood zijn onbeschrijfelijk ernstig. Alles heeft één stem: Vliedt de toekomende toorn!
269