Bewogenheid met zielen is voor enkelen?

Bewogenheid met zielen is voor enkelen?

Er was eens een landgoed met een heer en dienstknechten. De heer zei op zekere dag tegen zijn dienstknechten, dat hij vertrekken moet, maar dat hij terugkomt. En terwijl hij weg is, moeten ze zijn hele landgoed bebouwen. Ze beginnen te werken rondom het huis. Ze verzorgen de tuin en de bloemperken. Het volgend jaar groeit er onkruid en ze gaan weer aan het werk en houden het grasveld in uitstekende conditie. Opeens herinnert één van hen zich de aanwijzingen van de heer. “Ik moet gaan”, zegt hij, “onze meester heeft ons gezegd, dat we het hele bezit moesten bebouwen”. En hij maakte zich klaar om te vertrekken. “Maar”, roepen zij uit, “we kunnen je niet missen. Kijk eens, hoe snel het onkruid groeit. We hebben je hier hard nodig”. Ondanks hun protesten vertrekt hij toch en begint te werken in een afgelegen hoek van het landgoed. Later herinnerden zich nog twee mensen de bevelen van de heer en gingen, ondanks de tegenwerpingen, een ander deel van het landgoed te bewerken. Tenslotte keert de heer terug. Hij ziet met genoegen de bloemperken, de tuin en de gazons rondom het huis. Maar voordat hij zijn dienaren gaat belonen, besluit hij, de rest van het landgoed in ogenschouw te nemen. Terwijl hij dat doet, ontzinkt hem de moed, want hij ziet slechts wildernis en moeras en hij begrijpt, dat er zelfs geen poging gedaan is, het land te verzorgen. Tenslotte kom hij bij de man, die helemaal alleen een afgelegen deel van het landgoed bewerkt en hij beloont hem rijkelijk. Hij ontdekt de twee anderen in een ander gedeelte van het landgoed en ook die worden beloond. Daarna keert hij terug naar het huis, waar zijn dienaren wachten en beloning denken te ontvangen. Maar zijn gezicht toont aan, dat hij ontevreden is. “Zijn we niet trouw geweest?” roepen ze uit. “Kijk eens naar deze bloemperken en naar de tuin. Kijk eens naar de gazons. Zijn ze niet prachtig? Hebben we niet hard gewerkt?” “Ja”, antwoord hij, “u hebt uw best gedaan. U bent trouw geweest. U hebt ijverig gewerkt.” “Maar”, roepen ze, “waarom bent u dan teleurgesteld? Hebben wij geen recht op een beloning?” “Er is één ding, dat u vergeten hebt”, antwoord de heer, “u bent mijn orders vergeten. Ik heb u niet gevraagd dezelfde tuinen en gazons telkens weer, jaar na jaar, te bewerken. Ik heb u gevraagd, mijn hele landgoed te bebouwen, tenminste eenmaal. Dat hebt u niet gedaan; u hebt zelfs geen poging gedaan om het te bebouwen en toen uw collega’s er op stonden, hun deel van het werk te gaan doen, hebt u bezwaar gemaakt. Nee, hier is geen reden tot beloning.” Voelt u de toepassing? U bent misschien heel trouw geweest aan uw gemeente, maar wat hebt u gedaan voor hen die in duisternis leven? Hebt u er ooit over nagedacht om zelf te gaan? Hebt u ooit geld gegeven opdat iemand anders zou kunnen gaan? Hebt u gebeden? Welk aandeel hebt u gehad in de evangelisatie van de wereld? Hebt u de bevelen van de Heere Jezus gehoorzaamd? Hebt u gedaan, wat u kon om het hele landgoed te bebouwen? Of bent u er tevreden mee geweest in uw eigen gemeenschap te werken en de rest van uw omgeving, de rest van Nederland, de rest van de wereld te laten verkommeren? Naar beneden gaan of het touw vasthouden? Stelt u zichzelf voor dat er ergens een kind in een put zal vallen. Wie zou dan de beloning krijgen voor het redden van het kind, de man die het touw vasthield of hij die er langs naar beneden ging of beide? God zegt, dat ze hetzelfde loon zullen ontvangen. De man, die bovenaan staat en het de ander mogelijk maakt, in de put af te dalen om het kind te redden, heeft evenveel recht op de beloning, als hij die naar beneden gaat. Misschien kunt u niet “naar beneden gaan” misschien zult u nooit het zendingsveld zien, maar u kunt “het touw vasthouden”. U kunt het voor een ander mogelijk maken, te gaan. U kunt een plaatsvervanger sturen; en wanneer u dat doet, wanneer u uw geld geeft, zal uw beloning even groot zijn als de beloning van hen die werkelijk gaan. Iedereen moet lid zijn van de “emmerbrigade”. Misschien bent u niet degene die het water op het vuur werpt aan het eind van de rij; misschien staat u in het midden om alleen maar de emmers door te geven. Of misschien schept u het water op. De vraag is: “Staat u in de rij? Behoort u bij de emmerbrigade? Doet u iets? Of kijkt u alleen maar toe…?” Voorbeelden overgenomen uit: Bewogenheid voor zielen, Oswald J. Smith
273